Groen opbouwwerk en Internationaal jaar van de biodiversiteit
Nieuw: Een bredere kijk op bomen tijdelijk niet online
Groen opbouwwerk ondersteunt bewoners van buurten en woon-, krachtwijken in gemeenten met "groene" initiatieven- participatie. De leefbaarheid van de woonomgeving staat hierbij op de eerste plaats.
Voor veel mensen is biodiversiteit synoniem met de groene en natte ruimte in hun woon een leefomgeving. Voor ontspanning is groen en natuur (biodiversiteit) van enorm belang. Ze dragen bij aan gezondheid en welzijn, bevorderen sociale contacten en bieden ruimte om te spelen. Het jaar van de biodiversiteit kan dit belang ondersteunen. Het gaat niet alleen om de bijen, de bloemen en vogels, maar ook om de belevingswaarde daarvan. Dit is ook het draagvlak voor biodiversiteit. In veel stedelijke situaties kunnen burgers ook zelf initiatieven nemen om het biodiversiteits jaar tot een succes te maken. Dit kan onder meer door zelfbeheer
Mensen en natuur: aspecten van groen opbouwwerk, bewonersparticipatie en sociaal groen
  1. Wat is natuur Biodiversiteit
  2. Een historische notitie Sociale contacten
  3. Eigen ervaringen Kinderen spelen
  4. Mensen in de natuur Fysieke gezondheid
  5. Mens-natuurrelatie Mentale gezondheid
  6. Vrees voor natuur Toegang
  7. Voorkeur voor natuur Aandachtpunten toegang
  8. Onderzoek Grahn et al. Literatuur kleinschalig groen
  9. Voorbeelden in groene vaktijdschriften Bewonersprojecten tijdelijk niet online
  Links------
 
 
 
Onderstaande links geven een idee wat groen opbouwwerk en sociaal groen inhoud
Verantwoording -- Deze webpagina is een samenvatting van een eerder gepubliceerde Cd-rom zie bij www.plantenvademecum.nl
www.arnhemse-broek.nl/buiten-groen/groen
Een groep bewoners in het Arnhemse Broek vormt samen de Groengroep. Zij spannen zich in voor meer en mooier openbaar groen in de wijk. Zie ook: www.deweekkrant.nl/Groen opbouwwerk --- www.vrom.nl/pagina.html?id=31207 ---- http://tinyurl.com/yevkm6n
--------------------www.vrom.nl/Docs/Wijkaanpak/wijkeninuitvoeringArnhem21.pdf
www.kleurenkapitaal.nl/index.php?item=146 --- Participatie in Rotterdam
www.ecokids.nl --- Stichting Ecokids Nederland is een organisatie die het ecokidsprogramma heeft ontwikkeld. Het doel van de stichting is het ondersteunen van lokale organisaties die kindermilieugroepen in de leeftijdsgroep van 8 tot en met 12 jaar willen opzetten. Het Ecokidsprogramma is een educatief, buitenschools programma voor kinderen tussen de acht en twaalf jaar. Kinderen voeren projecten in hun eigen omgeving uit en leren al doende over natuur, milieu en duurzaamheid. Gelet op de locaties waar deze organisatie werkt heeft het verschillende aspecten gemeem met opbouwwerk.
http://www.buitenruimtevoorcontact.nl -- Groene ontmoetingsplekken in de stad zijn belangrijk voor het sociale klimaat in de wijk. ‘Buitenruimte voor Contact’ heeft in een aantal aandachtswijken met succes gemeenschappelijke tuinen gerealiseerd. De ervaringen hebben geleid tot een effectieve manier om samen met professionals en bewoners te werken aan groene plekken in de stad. Op deze site leest u meer over onze ervaringen, aanpak en natuurlijk over de resultaten! Zie ook www.BuitenKans.eu
Kinderen parkeren niet (pdf file)
www.spijkerkwartier.net/aktiviteiten/groepen.htm --- een stukje geschiedenis van een beroemd opbouwwerk - bewonersproject
http://tinyurl.com/ygjcksl -- Een initiatief van een buurt vereniging om een bijenhotel te maken.
http://tinyurl.com/yb8zfo4 --- Verslag kennisdag groen - opbouwwerk - projecten
http://tinyurl.com/ydmu8rc --- Blokland, T. (2006). Het sociaal weefsel van de stad. KEI, Kennisbank.
http://honingbijen.wordpress.com/2009/05/26/bijen-en-biodiversiteit -- reacties t.a.v.jaar van de biodiversiteit. Te grote groepen van onze samenleving zijn vervreemd van de natuur. Is mogelijk een bedreiding voor biodiversiteit. Groen opbouwwerk kan bijdagen aan terug dringen van vervreemding.
www.degroenestad.nl -- De Groene Stad staat voor de creatie van een stedelijke omgeving waarin het groen al vanaf de tekentafel is gelijkgeschakeld aan rood (gebouwen), grijs (wegen) en blauw (water). De Groene Stad kan ontstaan als de disciplines stedenbouw, ruimtelijke ordening en groen elkaar vinden en als door politiek en bedrijfsleven het economisch en maatschappelijk belang van het groen naar waarde wordt geschat. Ook een informatie bron voor de zgn. krachtwijken
Terug naar top pagina
 
Aandachtspunten voor toegankelijkheid en gebruik -----------------------------------------------------------------------Terug naar top pagina
Deze tabel geeft op hoofdlijnen aandachtspunten voor ontwerp en beheer en enkele suggesties om de aantrekkingskracht van parken en recreatieterreinen te vergroten. Gevarieerde parken trekken meer mensen aan (Grahn, 2005). Maar dat alleen is niet genoeg. Voor een uitvoerig overzicht en vele details per terreintype en doelgroep wordt verwezen naar de literatuur. (venster links)
 
Fysiek
Afstand -- In de literatuur wordt 300 tot 500 meter vaak opgegeven vanaf woning, woonwijk of werkplek (onder meer URGE Team, 2004). De afstand wordt onder meer bepaald door stressfactoren (zie Grahn, 2005). Voor kinderen, ouderen en mensen met fysieke en mentale beperkingen is deze afstand op eigen kracht en verantwoordelijkheid vaak onoverbrugbaar. Voldoende rustplaatsen (houten (!) bankjes op 30-50m afstand) maken terreinen beter toegankelijk voor ouderen. Uiteraard is het niet mogelijk om overal grotere parken aan te leggen. Maar mini-parken brengen groen binnen bereik van mensen met mobiliteitsproblemen en kwetsbare groepen (kinderen, vrouwen en ouderen). Zie ook bij Kleinschalig groen link boven in de pagina.
Afstand naar hoogtepunten -- Hoogtepunten of bijzondere accenten in een park of andere groene omgeving moeten ook voor minder mobiele mensen bereikbaar zijn. Dus zo dicht mogelijk vanaf de ingang of de parkeerplaats. Dit moet zoveel mogelijk tegemoet komen aan de wens dat mensen zelfstandig plekken kunnen bezoeken.
Ongelijke hoogte -- Terrein moeten goed toegankelijk zijn voor mensen met fysieke beperkingen. Grote hoogteverschillen moeten door geleidelijk op- en aflopende paden overbrugbaar zijn. de stijging van niet groter zijn dan 1:20-1:25.
Verhardingen -- Vooral voor ouderen en mensen met een beperkt loopvermogen moeten verhardingen goed begaanbaar zijn. In ieder geval voor routes die naar bepaalde belevingsaccenten Leiden. Het vooruitzicht dat een pad niet goed begaanbaar is kan een psychologische barrière opwerpen. Hoogteverschillen vanaf 0,5-1,0 cm kunnen vooral voor ouderen een belemmering vormen om een park te bezoeken. Sommige vormen van verhardingen kunnen vooral na nat weer en bij tegenlicht een verbindende schittering veroorzaken. Vooral voor ouderen kan dat zeer hinderlijk zijn
Faciliteiten -- Veel ouderen zijn in staat om grotere afstanden te overbruggen, maar wel onder voorwaarde dat er voldoende rustplekken (bankjes) aanwezig zijn. Daarnaast zijn ook goede toiletvoorzieningen van groot belang. Vooral op dit punt heeft Engeland (UK) een zeer goede traditie waar Nederland een voorbeeld aan zou kunnen nemen.
Microklimaat -- Op bepaalde klimatologische omstandigheden (temperatuur en wind) moet men warmte, kou en te veel wind kunnen ontwijken. Zitgelegenheden (rustplaatsen) en routes moeten daarop worden ontworpen. In alle seizoenen moeten er zonnige, luwe plekken zijn en in de zomer zitplekken in de schaduw. Hier bij moet ook worden gelet op het uitzicht (panorama's doorkijkjes etc.)
Terug naar top pagina
Psychologisch
Ingang -- De plekken van ingangen moet logisch zijn d.w.z. aansluiten op routes die mensen gaan en zo dicht mogelijk aansluitend op de plekken waar de mensen vandaan komen; de plek van de ingangen moet duidelijk zijn en de ingang zelf uitnodigend (goed en een aantrekkelijk visueel access)
Zwerfvuil en afval -- Zwerfvuil en afval moeten met grote regelmaat dagelijks worden verwijderd.
Uitwerpselen van dieren -- De meeste mensen vinden hondenpoep zeer storend; op plekken waar kinderen spelen moet dat met alle middelen worden tegengegaan.
Blocked view -- Mensen die door hun fysieke conditie gedwongen worden om te rusten, moeten zoveel mogelijk uitzicht op de open ruimte hebben. Een uitzicht dat wordt belemmerd door een muur van planten, vaak struiken, wordt meestal minder gewaardeerd dan een vrij uitzicht op het landschap (tuin, park water, weiland etc.) . Een te besloten ruimte kan ook het gevoel van veiligheid negatief beïnvloeden.
Overzicht en doorzicht -- Vooral paden waar men zich min of meer gedwongen over moet verplaatsen, mogen geen beklemmend gevoel van onveiligheid oproepen. Een zekere openheid en overzichtelijkheid kunnen dat voorkomen. Daarbij verhoogt het ook de belevingswaarde aanzienlijk. Zie ook bij Bosstructuur.
Sociale en psychologische veiligheid -- De aan- en/of afwezigheid van bepaalde aspecten kunnen een belemmering vormen om groene terreinen zoals parken te bezoeken. Verschillende aspecten zijn al genoemd bij "faciliteiten", "overzicht en doorzicht" en "blocked view". Ook het ontbreken van goede Oriëntatie punten kunnen er toe bijdragen dat men geen controle heeft op de omgeving. Herkenningspunten en informatiepanelen over routes en voorzieningen in een park werken drempel verlagend. Te weinig privacy of te weinig mogelijkheden voor het leggen van sociale contacten kunnen een gang naar een park bemoeilijken. Zitgelegenheden voor zowel individueel als voor collectief gebruik zijn daarom van groot belang. Mensen die zich bij een groep willen aan sluiten moeten dat op een psychologisch veilige wijze kunnen doen. Zitgelegenheden en routes moeten daarom zo worden ontworpen dat buitenstaanders ergens kunnen gaan zitten zonder dat ze het gevoel krijgen inbreuk te doen op een groep of het gevoel krijgt weggekenden te worden. Een bezoeker moet ook een veilige mogelijkheid hebben om zich op een groep te oriënteren. Potentiële ontmoetingsplekken moeten daarom een niet te besloten karakter/ligging hebben. Je moet er aan voorbij kunnen lopen zonder dat iemand anders je intenties door heeft. Dat betekent geen doodlopende paden naar afgesloten ontmoetingsplaatsen.
Terug naar top pagina
Fysieke veiligheid
Fysieke veiligheid betreft het meest kinderen. Gemotoriseerd verkeer maakt het voor kleinere kinderen heel vaak vrijwel onmogelijk om een groene speelomgeving op eigen gelegenheid te bereiken. En de laatste speelplekken die nog wel bereikbaar zijn worden vaak volgebouwd. Dit vraagt om de grootst mogelijke aandacht van iedereen. De vraag is steeds op welke plekken het verkeer kan worden geweerd of veilig worden gemaakt en hoe speelgelegenheid die past bij de behoefte en de ontwikkeling van kleinere kinderen op veilige loopafstand kan worden gerealiseerd. Soms moeten daarvoor huizen of andere gebouwen worden afgebroken, straten voor verkeer worden afsloten of wegen ondergronds worden aangelegd.
Terug naar top pagina
Ontwerp
Leesbaarheid -- De leesbaarheid van het landschap is de mate waarin het landschap samenhangen toont, die het de waarnemer mogelijk maakt zich te oriënteren in tijd en ruimte. De (a)biotische eigenschappen worden zichtbaar door de verticale samenhang, de functionele en ecologische relaties door de horizontale samenhang, de jaarcyclus door de seizoensamenhang en het heden, verleden en de toekomst door de historische samenhang. (Overgenomen van: Hendriks, K. & D.J. Stobbelaar, 2003. Landbouw in een leesbaar landschap: hoe gangbare en biologische landbouwbedrijven bijdragen aan landschapskwaliteit . Alterra Scientific Contributions no. 10. Blauwdruk, Wageningen.
Uitgangspunten -- De vuistregel is dat mensen de structuur van het landschap min of meer moeten kunnen begrijpen. Ze moeten worden uitgenodigd om zich in een landschap te verplaatsen, gemakkelijk de weg kunnen vinden en in ieder geval niet het gevoel krijgen dat ze kunnen verdwalen. Samenhang, complexiteit, leesbaarheid en mysterieusiteit (mistery). Maken voor veel mensen een bos, natuurgebied of een park aantrekkelijk voor gebruik. Zie bij foto's.
Oriëntatie -- De patronen en routes in het landschap moeten helder zijn voor ouderen en mensen met permanente of tijdelijke (bijv. zware stress) mentale beperkingen. Zie in dit verband ook Kaplan et al. (1998); opvallende beplantingen, ornamenten, waterpartijen etc. kunnen herkenningpunten vormen; zichtassen en vistas vormen goede oriëntatie punten. In grotere parken, natuurterrein en bossen wordt meestal gebruik gemaakt van richtingaanwijzers en gemarkeerde routes.
Sferen en thema's -- Door te werken met licht en schaduw, water, uitzichten, stenen en ornamenten kunnen sferen worden gecreëerd die mensen uitnodigen om onder bepaalde mentale omstandigheden voor bezinning, meditatie, rust en sociale interactie een groene plek te bezoeken. Op bepaalde plekken zouden thematische accenten kunnen worden gelegd die meer inspelen op de toenemende culturele diversiteit van de gebruikers. Natuur en cultuur kunnen hierbij hand in hand gaan.
Seizoensaspecten -- Beleving van de seizoenen wordt door veel mensen belangrijk gevonden; dat is in de eerste plaats te realiseren met ecologisch groenbeheer; maar ook door introductie van planten die seizoenen accentueren kan de seizoensbeleving worden bevorderd. Bijvoorbeeld: stinzenplanten in het voorjaar, vlinderplanten in de zomer, voorzomer bloeier, groenblijvende planten voor in de winter, bomen, struiken en kruidachtige planten voor herfstkleuren, dood hout of bomen voor paddestoelen in de herfst.
Terug naar top pagina
Ontwerpelementen
Elementen die biodiversiteit bevorderen -- Binnen loop-, zicht- of waarnemingsafstand moeten mensen in contant kunnen komen met natuur. Vogelbosjes, voedertafels, nestkastjes, vlinderplanten of -tuinen, floristische elementen zoals bloemen, varens en paddestoelen. Zie ook bij ontwerp: seizoensaspecten)
Water -- Opvallende water- en oever planten, een beperkt aantal eenden en andere watervogels, kikkers en libellen zijn voor iedereen interessant. Vooral bewegende elementen trainen daarbij het waarnemingsvermogen of houden dat een "goede" conditie.
Waterornamenten -- Dat is water om te zien, te horen, te voelen en om in te kunnen spelen. Fonteinen en kunstmatige watervallen kunnen daarbij worden gebruikt. Vooral grotere watervallen en fonteinen kunnen de invloed van storende geluiden reduceren.
Zintuigtuinen -- Het gaat hier om voelen, horen, ruiken en proeven van planten. Honderden planten komen hiervoor in aanmerking. (zie database op deze Cd-rom en www.vuurvlinders.nl )
Plantenbakken -- Plantenbakken die op tafelhoogte stellen ouderen en rolstoelgangers in staat om beter met de planten in contact te komen. Zie ook foto.
Opmenen van historische landschapselementen -- Vooral landschapselementen met een cultuurhistorische betekenis kunnen, maken parken en recreatieterreinen zeer aantrekkelijk. Dat kunnen afzonderlijke boerderijen zijn, ruines van een voormalige fabriek, dorps- en zelfs stadsgezichten, zicht op landgoederen, landweggetjes etc. Door het opnemen van historische landschapselementen wordt de identiteit van een plek vergroot.
Speelelementen voor kinderen -- Kinderen spelen het liefst met elementaire materialen. Zand, (stromend) water, takken, verplaatsbaar hout, en stenen. Doordat al deze elementen steeds kunnen worden veranderd en verplaatst, kan er oneindig mee worden gespeeld.
Terug naar top pagina
Bosstructuur
Bos -- Activiteiten loofbos
Activiteiten speelbossen, zoeken van vruchten begrazing kunnen enorm bijdragen aan het bezoeken van een bos. Samenhang, complexiteit en leesbaarheid en de meeste andere punten die op deze pagina zijn genoemd bepalen voor veel mensen de toegankelijkheid van een bos.
Beheer en beleving – Het beheer is steeds meer gericht op toevoegen van natuurwaarde en op recreatie. Naaldhoutproductiebossen zijn bijna berucht om hun monotone karakter. Vooral als het gaat om aaneengesloten grootschalige percelen. Er moet echter wel gewezen worden op de meer positieve aspecten op lange termijn. Het kan een halve eeuw of langer duren voordat een naaldhoutproductiebos een natuurlijke uitstraling begint te krijgen. Op den duur kunnen oudere naaldbossen dan een hoge esthetische waarde krijgen. Deze neemt toe naarmate:
- Er mogelijkheden zijn voor recreatieve aspecten zoals het plukken van bosbessen.
- Het bos ouder wordt.
- De hoogte en de afstand van de bomen onderling toeneemt zodat er meer licht kan binnendringen.
- Onderbegroeiing (kruidlaag, struiklaag, mos, paddestoelen) aanwezig is.
- Structuurvariatie groter wordt (spontane bosvorming, natuurlijke gelaagdheid, onderbegroeiing, natuurlijke verjonging).
- Visuele penetratie (doorzicht, visuele toegankelijkheid) tot op zekere hoogte groter wordt.
- Het natuurlijke karakter toeneemt (vooral dood hout van loofbomen kan daar ook aan bijdragen).
- Een betere visuele afwisseling het loofbomen (beuk, eik, berk) aanwezig is.
- Een zekere mate van mystrieusiteit aanwezig is. Dit is geheimzinnigheid: alles is niet te overzien, maar men wordt wel nieuwsgierig wat er verder komt. Dit kan worden gestimuleerd door bochtige paden of coulisseachtige structuren.
- Water en natte bossen kunnen de belevingswaarde verhogen
  Terug naar top pagina
Literatuur structuur, voorkeur en beleving
Angenent, J.J.M., L.H.E. Herbert, J. Oosterbaan & Th. van Zetten (1990). De belevingswaarde van Populierenbossen. Rapport 581. "De Dorschkamp", Instituut voor Bosbouw en groenbeheer, Wageningen, pp. 197.
Boer, T.A., de, E. Gerritsen & J.K. Raffe (2001). Beleving van bosbeelden; een methode voor het bepalen van de belevingswaarde van bosbeelden en de resutaten van een pilotonderzoek. Alterra rapport 250. Alterra, wageningen pp. 52.
Goossen, C.M. & P.W.F.M. Hommel (2003). Bos in water, water in bos: beleving van bossen in en aan water. Alterra-rapport, 886. ALterra: Wageningen, pp. 57.
Hagerhall, C.M. (2001). Consensus in landscape preference judgments. Journal of Environmental Psychology 21: 83-92.
Jorgenson, A., J. Hitchmough & T. Calvert (2002). Woodland spaces and edges: their impact on perception of safety and preference. Landscape and Urban Planning 60: 135-150.
Kaplan, R., S. Kaplan & L. Ryan (1998). With people in mind: design and management of everyday nature. Island Press, Washington, pp. 225.
Roovers, P., M. Hermy & H. Culinck (2002). Visitor profile, perceptions and expectations in forest from a gradient of increasing urbanisation in central Belgium. Landscape and Urban Planning 59 (3): 129-145.
Ryan, J. & A. Simson (2003). ‘Neighbourwoods’: identifying good practice in the Design of urban woodlands. Arboricultural Journal 26 (4): 309-331.
Rydberg, D. & J.Falf (1998). Designing the urban forest of tomorrow: Pre-commercial thinning adapted for use in urban areas in Sweden. Arboricultural Journal 22: 147-171.
Simson, A.J. (2000). The post-romantic landscape of Telford New Town. Landscape and Urban Planning 52 (2-3): 189-197.
Schroeder, H.W. (1988). Environment, behavior, and design research on urban forests. In: E.H. Zube & G.T. Moor (Eds) Advances in environment, behavior, and design (vol 2) Plenum, New York, pp. 87-113.
Talbot, J.F. & Kaplan (1986). Judging the sizes of urban areas: is bigger always better? Landscape Journal 5: 83-92.
Tyrvainen, L., H. Silvennoinen &. O. Kolehmainen (2003). Ecological and aesthetic values in urban forest management. Urban Forestry & Urban Greening 1: 135-149.
Williams, K.J.H. & J. Cary (2002). Landscape preferences, ecological quality, and biodiversity protection. Environment and Behavior 34 (2): 257-274.

Terug naar top pagina
Literatuur richtlijnen ontwerp
In de literatuur is een groot aantal richtlijnen (guidelines) te vinden voor de inrichting van de groene ruimte. Hier wordt onder meer verwezen naar: Alfonzo (2005); Boyle et al. (2004); Cooper Marcus & Francis (1997); Cooper Marcus. & Barnes (1999); CROW (2004); Franck & Paxson (1989); Hall, P & R. Imrie (2001) Herzog & Chernick ( 2000); Kaplan et al. (1998); Luymes & Tamminga (1995); Nasar, & Fisher (1993); Stoneham & Thoday (1996). Zie Literatuuroverzicht voor meer details over access en veiligheid.
 
De meest uitvoerige ontwerprichtlijnen voor het gebruik van de open groene ruimte (access) zijn te vinden in:
  Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.)(1997). People places: design guidelines for urban open space . Wiley & Sons, Ontario, pp. 367.
In totaal bevat dit boek ca. 800 deels overlappende aandachtspunten die per hoofdstuk in een checklist zijn samengevat. De ontwerprichtlijnen hebben weliswaar betrekking op de Amerikaanse situatie, maar zijn ook inspirerend genoeg voor de Europese en zeer zeker voor de Nederlandse situatie. Omdat dit boek zo sterk praktijkgericht is, wordt er hier meer gedetailleerde informatie over de inhoud van dit boek gegeven.
De voornaamste hoofdstukken zijn:
- Cooper Marcus, C., C. Francis & R. Russell: Urban plazas. pp. 14-84.
- Cooper Marcus, C., C. M., Watsky, E. Insley & C. Francis: Neighborhood parks. pp. 85-148
- Cooper Marcus, C. & N. H. Greene: Miniparks and vest-pocket parks. pp. 149-174.
- Cooper Marcus, C. & T. Wischemann: Campus outdoor spaces. pp. 175-208.
- Cartens, D.Y. Outdoor spaces in housing for the elderly: pp. 210-257.
- Francis, C.: Child care outdoor spaces. pp. 259-310.
- Paine, R., C. Francis, C. Cooper Marcus & M. Branes : Hospital outdoor spaces. pp. 311-343.
   
  Terug naar top pagina
Cooper Marcus, C., C. Francis & R. Russell (1997). Urban plazas. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario, pp. 14-84.
Outline and contents
- The authors define plazas as mostly hard surfaced, outdoor public space from which cars are excluded. It main function is as a place for strolling, sitting, eating, and watching the world go by. Unlike a sidewalk, it is a place in it own right rather than a space to pass through. Although there may trees, flowers or a ground cover in evidence, the predominant ground is hard; if grass and planted areas exceed the amount of hard surfaces, the authors define the space as a park rather than a plaza.
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of plazas. It is dealing with: The role for the urban plazas, literature on plazas, typology of downtown plazas (the street plaza, the corporate plaza, the urban oasis, the transit foyer, the street as plaza, the grand public place).
- Design recommendations (and issues) pp. 23-54: location, visual complexity, use and activities (passers-through and lingerers, male and female users, activities in urban space; homelessness, vandalism, and “undesirables”), microclimate (sunlight, temperature, glare, wind, overall comfort), boundaries and transitions, circulation, seating (the sitters, people watching, primary and secondary seating, styles of seating, benches, steps and ledges, social aspects, orientation of seating, seating materials), planting (variety, height, boundary planting, importance of colour and fragrance, provisions of lawn areas), level changes (sunken plazas, raised plazas), public art, food (eating, lunch).
- Case studies (10) of plazas (successful features/unsuccessful features) pp. 54-77.
- References pp. 77-80.
- Design review checklist (118 points of attention: preliminary questions, size, visual complexity, Uses and activities, microclimate, boundaries, subspaces, circulation, seating, planting, level changes, public art, fountains, sculpture, paving, food, programs, vendors, information and signs, maintenance and amenities) pp. 80-84.
  Terug naar top pagina
Cooper Marcus, C., C. M., Watsky, E. Insley & C. Francis (1997). Neighborhood parks. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 85-148.
Outline and contents
- “A park is often considered an oasis of greenery in a concrete desert. For passersby as well as those who come into a park, its natural elements provide visual relief, seasonal change, and a link with the natural world. According to two major interviews of park use in San Francisco and London, the most frequently cited reason for park use was” contact with nature” In London, this motivation was cited more frequently by women than by men, by older than younger people, and by higher-income rather than lower-income users. Similarly, according to a study of heavily used midtown Manhattan park, the most frequently cited reason for the use was simply to relax and rest. When asked to describe these parks in tree words, more than half offered descriptions that could be classified under the general heading “park as retreat, using such words as greenery, nature, relaxing, comfortable, tranquil, peaceful, calm, urban oasis, and sanctuary”. (p. 89)
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of neighbourhood parks. It is dealing with: History and future of American / neighbourhood parks, the link between recreation and crime prevention, literature on parks, sociocultural differences in the use of urban parks. The recommendations are based on numerous park studies that observed activities, interviews, and analyzed what forms of design do and do not work for people. The guidelines are intentionally performance based rather than prescriptive, and they are presented as components parts that can be applied to a specific job or used to assess or develop a program for a park design
- Design recommendations (and issues) pp. 89-113: need of a natural setting, need for human contact (overt and covert socialisation), special user group needs (elderly, disabled, preschool users, users aged six to twelve, teen aged users, typical activities (conventional, unconventional, antisocial), safety issues in parks.
- Park typology and 15 Case studies of parks (successful and unsuccessful features) pp. 113-142;
- References pp. 142-143.
- Design review checklist (151 points of attention: user needs, elderly persons, disabled people, preschool children, school-aged children, teenagers, typical activities, antisocial activities, safety issues in parks) pp. 144-148.
Terug naar top pagina
Cooper Marcus, C. & N. H. Greene (1997). Miniparks and vest-pocket parks. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), and People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 149-174.
Outline and contents
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of imparks and vest-pocket parks. It is dealing with: History and desciption of small neighbourhood parks.
- The name minipark is relative: in big cities of New York and Philadelphia , a minipark may be only twenty feet wide. In Texas , one minipark turned out to be three acres, But usually they are one to tree lots in size. They have ranged in Costs from millions of dollars for Paley park in New York , built with private funds on high-rent commercial land, to a few hundred dollars if built with volunteer labour and donated materials on leased land. More than in almost any other open space plan, the designers of vest-pocket park or minipark must understand the neighbourhood's social and political complexities. Because they are providing for a wide range of ages and habits of the people who may use the park at different times of day or night, they want to get help from facilitators in recruiting representatives from the neighbourhood who can help make decisions about control, use, and design.
- Design recommendations (and issues) pp. 151-166: site selection, location and size, design program (users, community involment), entrance, boundaries, functional areas, play areas, plant materials, surfaces, site furniture, maintenance.
- Case studies (3) of minipark (successful features/unsuccessful features) pp. 166-171;
- References pp. 171-172.
- Design review checklist (59 points of attention: site selection, design program, entrance boundaries, function areas and circulation, play areas, plant materials, site furniture) pp. 173-174.
Terug naar top pagina
Cooper Marcus, C. & T. Wischemann (1997). Campus outdoor spaces. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 175-208.
Outline and contents
- The function of the campus is illustrated by the following citation: “An important criterion for evaluating campus plans would be to ask whether the campus plan encourage the maximum number of impromptu (ca.: improvised, spontaneous, informal) encounters with other students, with other faculty members, with visitors, with works of art, with books, and with activities which one is not himself a regular part… The efficiency of a campus plan is not merely to provide the physical setting in which the formal activities of the university are to take places. Much of the education of anybody occurs outside and separate from the formal courses un which he is registered, and only if the plan has the kinds of qualities which will stimulate curiosity, prompt casual encounters and conversation … will the atmosphere which it produces be truly educational in the broadest sense (Keast 1967)”
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of campus outdoor spaces. It is dealing with: Literature on campus open space and campus plans.
- Design recommendations (and issues ) pp. 176-199: home base: space adjacent to specific buildings (the front porch, the front yard, the back yard, the back door); common turf: campus spaces used by everyone (campus entrances, major plaza spaces, size, spatial attributes, favourite outdoor spaces, outdoor study areas); problems inhibiting campus outdoor use (crime and fear of crime, traffic), campus wear and tear, way finding.
- Case studies (3) of campus open space (successful features/unsuccessful features) pp. 199-204.
- References pp. 204-205.
- Design review checklist (75 points of attention: the front porch, the front yard, the back yard, the back door, campus entrances, major plaza spaces, favourite outdoor spaces, outdoor study areas, factors inhibiting campus use pp. 206-208.
Terug naar top pagina
Cartens, D.Y. (1997). Outdoor spaces in housing for the elderly. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 210-257.
Outline and contents
- For the elderly, comfort, safety and security, ease of access to the outdoors, and opportunities for meeting others and socializing become increasingly important aspects of outdoor use. Equally important are opportunities to enjoy nature and contribute to one's health and exercise by taking a short walk or just feeling the sun on one's face. Yet outdoor spaces connected to housing for older people often consist primarily of functional elements such as parking and service areas. Recreational enjoyment of outdoors is often neglected, or treated in a stereotypical way, ignoring the real and varied needs of older people.
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of outdoor spaces in housing for the elderly. It is dealing with: Design and the aging process, housing for the elderly, literature on design and aging.
- Design recommendations (and issues) pp. 212-239: general layout and clustering, microclimate, guidelines based on older people's social and psychological needs, site entry, main entry, shared patios and terraces, private patios and balconies, lawn areas, gardening areas, play areas for visiting children, walkways, walking surfaces, ramp and stairs, handrails, seating, tables, outdoor lighting, outdoor signs, the needs of residents with Alzheimer's disease in special care units.
- References pp. 249-251.
- Case studies (5)of outdoor spaces in housing for the elderly (successful features/unsuccessful features) pp. 239-249;
- Design review checklist (187 points of attention: goals of the outdoor=spaces, users, building mass and microclimate, site entry and arrival court, parking and secondary building entrances, circulation and orientation, transition zones, lawn areas, private patios and balconies, garden plots, play areas, Health and exercise, enjoying nature, sensory details, social interaction, security, encouragement of independence, seating and tables, handrails, lightings and signage, staffing and management, needs of resident with Alzheimer disease in special care units ) pp. 252-257.
Terug naar top pagina
Francis, C. (1997). Child care outdoor spaces. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 259-310.
Outline and contents
- Parents seek preschool programs not only for child care during a parent's workday but for social and developmental benefits possible in a peer group setting with trained professional caregivers and in an environment designed to enhance and facilitate that development. It has been pointed out that families often seek a day care centre that might act as a surrogate neighbourhood – a social community for both the children and adults that might replace the interactions that occurred on the block a generation ago. Considering the pressing and increasing need for child care and the magnitude and vulnerability of the affected population , it is clear that questions of care for these children is of national significance, demanding knowledgeable program development coupled with thoughtful and sensitive facilities design
- This chapter offers guidelines and recommendations for the design of child care outdoor spaces. It is dealing with: History, importance of the environment, literature on child care outdoor spaces, play and development in child care setting.
- Design recommendations (and issues) pp. 266-294: issues to consider before design (number and ages of children served, Building on a child's scale, variety an opportunity, sensory stimulation, manipulation, outdoor activities), site characteristics (amount of space, adjacent uses, entry, topography, natural areas, building and yard, activity areas and path. Microclimate), elements and equipment (storage. Planting, choosing plants, water, sand and dirt, animals; climbing, sliding and swinging, safety and playground equipments, loose parts, wheeled toys, real vehicles), space for infants, social issues (watching, joining, backing out, retreat), alternatives to ground-level playgrounds (rooftop play spaces, indoor street)
- Case studies (4) of child care outdoor spaces (successful features/unsuccessful features) pp. 295-304.
- References pp. 304-306.
- Design review checklist (134 points of attention: as Design recommendations) pp. 307-310.
Terug naar top pagina
Paine, R., C. Francis, C. Copper Marcus & M. Branes (1997). Hospital outdoor spaces. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 311-343.
Outline and contents
This chapter offers guidelines and recommendations for the design of hospital outdoor spaces. It is dealing with: The evolution of hospital design, the changing medical paradigm and research linking health and environment, literature on hospital outdoor spaces, users of hospital outdoor spaces, Activities in hospital outdoor spaces.
Design recommendations (and issues) pp. 320-331: site planning and location, physic access to outdoor spaces, views to outdoors, awareness of outdoor spaces, planting, site furniture.
Case studies (5)of hospital outdoor spaces (successful features/unsuccessful features) pp. 331-338.
References pp. 339-340.
Design review checklist (83 points of attention: adult patients, child patients, visitors, staff, site planning and location, physical access, views to outdoors, awareness to outdoor spaces, planting, site furniture) pp. 341-343.
Terug naar top pagina
Characteristics of eight nature/garden rooms (derived form Grahn, 2005)----
Het meest relevante onderzoek voor het stedelijk gebied is wellicht dat van Berggren-Barring & Grahn (1995), Grahn (2005)en Stigsdotter (2002 en 2005). Aan de hand van een uitvoerig onderzoek in drie steden in Zweden werden voor de open groene ruimte acht basiskenmerken onderscheiden (Zie Tabel). Dit is ook in de geest van de “Vierde nota over ruimtelijke ordening” (Ministerie van VROM,1988) waarin verscheidenheid één van de aspecten is die bepalend zijn voor de kwaliteit van de woon - en leefomgeving. Het is dus gewenst dat er een variatie van verschillende landschapstypen en sferen of sfeerbeelden is.
1. Serene Peace, silence and care. Sounds of wind, water, birds and insects. No rubbish, no weeds, no disturbing people.
2. Wild Fascination with wild nature. Plants seem self-sown. Lichen and moss-grown rocks, old paths.
3. Rich in species High biodiversity. A room offering a variety of wild species of animals and plants.
4. Spacious A room offering a restful feeling of “entering another world”, a coherent whole, like a beech forest.
5. The common A green open place admitting of vistas and stay.
6. The pleasure garden A place of imagination. An enclosed, safe and secluded place where you can relax and be yourself, let your children play freely and also experiment.
7. Festive A meeting place for festivity and pleasure.
8. Culture The essence of human culture: A historical place offering fascination with the course of time
Grahn, P. & A-M. Berggren-Bärring (1995). Experiencing parks. Man's basic underlying concepts of qualities and activities and their impact on park design. Ecological Aspects of Green Areas in Urban Environments. IFPRA World Congress, Antwerp, Flanders, Belgium, 3-8 September, pp. 97-101.
Grahn, P. Stigsdotter, U. & A-M. Berggren-Bärring (2005). A planning tool for designing sustainable and healthy cities. The importance of experienced characteristics in urban green open spaces for people's health and well-being. In Conference proceedings “Quality and Significance of Green Urban Areas”, April 14-15, Van Hall Larenstein University of Professional Education, Velp, The Netherlands, pp. 29-38.
Zie verder mensen en natuur (via startpag. betekenis groene ruimte)
Terug naar top pagina
 
Wat is natuur Terug naar top pagina
Hier wordt geen poging gedaan om een definitie van natuur te geven. Wat we zien is dat er dode (abiotische) natuur is, die bestaat uit steen, mineralen, water, licht, duisternis, temperatuur, atmosfeer, etc. en dat er levende (biotische) natuur is. Dat zijn de planten en de dieren. De biotische natuur is volledig afhankelijk van de abiotische natuur. Hoe de samenhang is, is te zien bij levensgemeenschappen. De abiotische factoren bepalen wat voor soorten ergens kunnen leven. Er bestaan zoutwater dieren en zoetwater dieren; kalkgraslandplanten en hoogveenplanten. Het geheel staat onder invloed van natuurwetten. Dit zijn fysische (zwaartekracht, licht, etc.), chemische (scheikundige reacties) en biologische (genetica, koolstofkringloop, etc.) wetten. Deze wetten gelden voor alle levende wezens.

Mensen vormen hierop geen uitzondering. Vanuit dit standpunt bekeken is het de vraag of er nog iets bestaat wat we geen natuur mogen noemen. Dit is een vraag die buiten de doelstelling van deze website valt. Het is echter wel duidelijk dat het in het dagelijkse spraakgebruik erg moeilijk is om het begrip natuur af te bakenen. Onderscheid wordt meestal gemaakt, als er sprake is van menselijke invloed. Een rozenperk is dan geen natuur en een oerwoud wel. Een heideveld dat onder invloed van mensen is ontstaan noemen we dan halfnatuurlijk.

In navolging van Olmsted (1870), Stokols (1987) en Kaplan (1989; 1998) wordt voor alle groene elementen het begrip natuur gebruikt. Ook aangeplante bomen vallen hier dan onder. Daarnaast wordt het begrip biodiversiteit (biologische verscheidenheid) gebruikt. Groen opbouwwerk opereert in een extreem cultuurlijke omgeving. Ook hier is biodiversiteit mogelijk. De hommels, vlinders, vogels, bloemen die hier spontaan voorkomen. Is biodiversiteit. Zeg maar gewoon natuur.
Literatuur bij wat is natuur
Kaplan, R. & S. Kaplan (1989). The experience of nature, a psychological perspective. Cambridge University Press, Cambridge, pp. 340.
Kaplan, R., S. Kaplan & L. Ryan (1998). With people in mind: design and management of everyday nature. Island Press, Washington, pp. 225.
Olmsted, F,L. (19870). Public parks and the enlargement of towns. Riverside press, Cambridge.
Stokols, D. & I. Altman (Eds.) (1987). Handbook of environmental psychology. Wiley, New York, pp. 1645.
Terug naar top pagina
 
Een historische notitie Terug naar top pagina
Mensen houden van de natuur, inclusief parken, tuinen en heel veel andere groene landschapselementen zoals aangeplante bomen en weilanden met koeien. Dat natuur, inclusief tuinen en vele andere groene elementen, een bijdrage levert aan gezondheid en welzijn is niet alleen bekend in deze tijd, maar was zeer waarschijnlijk kennis die al een paar duizend jaar bestaat. De bekendste voorbeelden zijn de “Hangende Tuinen” van Babylon in Mesopotamië die Nebuchadnezar ll (604-562 BC) liet bouwen voor het welzijn zijn vrouw.
Zwervend door Antwerpen kwam ik begin jaren negentig een herdenkingssteen tegen met de volgende tekst: “Van 1610 tot 1773 was het Rivierenhof, samen met het domein Vennenborg, eigendom van de Paters Jezuïeten uit Antwerpen. Telkens als de pest heerste, stelden zij het park open voor het publiek om er gezonde lucht te komen ademen ”. Zie foto Jezuïetensteen. Ook de laatste paar eeuwen heeft men ingezien dat natuur en stedelijk groen een positief effect hebben op het welzijn en de gezondheid van mensen.
Literatuur histoirische notitie
Cooper Marcus, C. & M. Barnes (1999). Introduction: history and cultural perspective on healing gardens. In: Cooper Marcus, C. & M. Barnes (Eds.). Healing gardens: therapeutic benefits and design recommendations. John Wiley, New York, pp. 1-26.
Finkel, I.R. (1988). The hanging gardens of Babylon. In: Clayton, P. A & M.J. Price, (Ed), 1988. The Seven Wonders of the Ancient World. Routledge, London, pp. 38-58.
Frankfort , H., H.A. Frankfort, J.A., Wilson & T. Jacobsen (1968). Before philosophy: The intellectual adventure of ancient man. Penguin books, Middlesex, pp. 275.
Osmundson, T. 1999. Roof gardens: history, design and construction. Norton, London, pp. 318.
Rooijen, M. van (1990). De wortels van het stedelijk groen: een studie naar het ontstaan en voortbestaan van de Nederlandse groene stad. Proefschrift. Rijksuniversiteit Utrecht, Vakgroep stad en arbeidsstudies, Utrecht, pp. 295.
Russell, B. (1946). History of Western philosophy. Allen, London, pp. 842.
Ward Thompson, C. (1998). Historic American parks and contemporary needs. Landscape Journal 60 (1): 1-25.
Terug naar top pagina

 

Eigen ervaringen

Terug naar top pagina
In de jaren zestig werkte ik als uitbesteed hovenier bij het Gemeente Ziekenhuis van Schiedam. Rondom dit ziekenhuis lag een parkachtige tuin van naar schatting enkele hectaren groot. De tuin was zeer afwisselend met grote open stukken en kleine besloten ruimten. Door de afwisseling en het voorkomen van groenblijvende struiken gaf de tuin ook buiten het groeiseizoen nog een aantrekkelijk beeld.
De tuin werd traditioneel intensief onderhouden, inclusief het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen. Het was een plek waar je waardering kreeg voor je werk. Door het verplegende personeel, de patiënten en de bezoekers werd de tuin hoog gewaardeerd. Vooral de patiënten, die op de benedenverdieping bij het raam lagen en uitzicht hadden op de tuin, genoten in de herstelfase van de tuin. In die tijd verbleven de patiënten aanzienlijk langer in het ziekenhuis dan tegenwoordig. Na een operatie of andere behandeling werden de eerste stappen buiten de deur meestal in de tuin gezet. Veel patiënten maakten wandelingen door de tuin of werden met een rolstoel door familieleden of verzorgend personeel door de tuin rondgereden. Op allerlei plekken waren zitgelegenheden gemaakt.

De tuin zorgde voor afleiding en het was een plek voor het maken van sociale contacten. Als het gras werd gemaaid, mopperde men over het lawaai, maar daarna volgden altijd positieve opmerkingen over de geur van het gemaaide gras. In die tijd werkte in het ziekenhuis een psycholoog waarvoor ik ook de privé-tuin verzorgde en waarmee ik regelmatig een praatje maakte. Volgens hem was het grootste gedeelte van de ziekten waar de patiënten onder leden ontstaan onder druk van psychische spanningen. Dat de tuin voor afleiding zorgde was voor de hand liggend en dat feit wordt thans al tientallen jaren ondersteund door wetenschappelijk literatuur.

Terug naar top pagina

 

 

Mensen en natuur Terug naar top pagina
Toen ik ongeveer 10 jaar was, liep ik heel vaak langs de Poldervaart in Schiedam. Ik had geen geduld om zelf te vissen, maar vaak keek ik er wel naar. De vraag: “Hebt u al wat gevangen?” of de opmerking: “U hebt nog niets gevangen” kregen toen al vaak reacties met de strekking, dat het niet ging om het vangen van de vis, maar om de natuur en de rust te ervaren. Dit vertalen we nu als ontspanning en afwezigheid van stress. Wandelen, fietsen, roeien, vogels kijken en nog veel meer andere natuurgebonden activiteiten hebben hetzelfde effect.
Mensen gaan massaal op vakantie naar plaatsen en streken die buiten het stedelijke gebied liggen, waar natuurlijke elementen inclusief het agrarische cultuurlandschap dominant aanwezig zijn. Dit is een zodanig sterke trend, dat natuurgebonden recreatie belangrijke peilers zijn geworden van de regionale economie (bijv. in de Achterhoek) en de nationale economie (bijv. in IJsland).
Mensen vinden natuur belangrijk en zijn massaal lid geworden van allerlei organisaties variërend van het Wereldnatuurfonds tot de plaatselijke IVN-afdeling. Minstens 70% van de westerse bevolking vindt dat natuur en landschap moet worden beschermd, ongeacht het directe nut voor de mens. (Born, 2001)
Op allerlei toplocaties aan stadsranden, bij natuurgebieden, bij parken en langs water worden huizen gebouwd die aanmerkelijk duurder zijn dan vergelijkbare huizen die elders staan.

Kinderen plukken bloemen en bouwen hutten in plantsoenen. Kortom er is een lange lijst samen te stellen van natuurgebonden activiteiten. Deze kan variëren van het hebben van een aquarium tot een tocht door de woeste landschappen op IJsland, die lijken op een maanlandschap. Het gaat hier om een band met de natuur die meer is dan vrijetijdsbesteding.

 
Literatuur mensen en natuur
Born, R.J.G. van den, R.H.J. Lenders, W.T. de Groot & Ellen Huijsman (2001). The new biophilia: an exploration of visions of nature in Western countries. Environmental Conservation 28: 65-75.
Bosch Slabbers, Den Haag. 35 p. Coeterier, J.F. & M.B. Schone (1999). Natuur als leefomgeving: struinen en landschapsbeleving. Reeks Operatie Boomhut 5. Staringcentrum, Wageningen, pp. 77.
Coossen, C.M., H. Meeuwsen, J. Franke & M. Kuypers (2006). Landschap Idols: Het ideale landschap volgens de Nederlanders op basis van halfjaarlijkse analyse van de website www.daarmoetikzijn.nl . Alterra-rapport 1402. Alterra, Wageningen, pp. 44.
Dubbink, W & D. Huitzing (1999). Natuur als leefomgeving: wandelen in natuur en landschap van de 21ste eeuw: natuur en natuurbeleid filosofisch bekeken. Reeks Operatie Boomhut 9. Informatie- en KennisCentrum Natuurbeheer, Wageningen, pp. 76.
Hung, K. & J.L. Crompton (2006). Benefits and constraints associated with the use of an urban park reported by a sample of elderly in Hong Kong. Leisure Studies 25 (3): 291-311.
Reneman, D.D., M. Visser, E. Edelman & B. Mors 1999. Natuur als leefomgeving: mensenwensen: de wensen van Nederlanders ten aanzien van natuur en groen in de leefomgeving. Reeks Operatie Boomhut 6. Intomart, Hilversum, pp. 159+ Bijlagen.

Volker, C.M., V. Bezemer, R. Kranendonk & R. Verbij (2000). Natuur als leefomgeving: mensenwensen en de inrichting van natuurbeleid. Reeks Operatie Boomhut 12. Alterra, Wageningen, pp. 53.

Meer literaruur
Terug naar top pagina
 

 

 

Mens-natuurrelatie Terug naar top pagina
Uit onderzoek blijkt dat mensen een voorkeur hebben voor een groene, natuurlijke omgeving. (o.m. Kalpan, 1989) Waar komt deze voorkeur vandaan? In deze publicatie wordt er van uitgegaan dat de mens volledig deel uitmaakt van de natuur. Alle natuurwetten, die gelden voor andere organismen, gelden ook voor mensen. De mens is een primaat, het product van tientallen miljoenen jaren evolutie. De menselijke genen zijn in relatie met de natuur ontwikkeld en zijn het product van een evolutieproces. Onze genen hebben een sterke relatie met die van andere primaten zoals chimpansees. www.bprc.nl/BPRCNL/L2/HomeNL.html). Het is de vraag of deze oeroude genetische relatie met de natuur in ongeveer 10.000 jaar zal verdwijnen. Uiteraard zullen er allerlei culturele invloeden zijn, die de band met de natuur verzwakken of versterken. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor de een zijn leven lang thuis postzegels verzamelt en zelden of nooit in de natuur komt, terwijl een ander geen dag zonder de natuur kan. Over de band met de natuur zijn allerlei moeilijk bewijsbare theorieën ontwikkeld.
Mensen zijn net als alle andere organismen ingesteld op natuurlijke prikkels afkomstig uit het landschap. In een stedelijke omgeving zijn er dikwijls meer prikkels dan we kunnen verwerken. Vandaar dat er voorkeur bestaat voor natuurlijke prikkels. (Appleton, 1975; Kellert & Wlson, 1993; Ulrich, 1983). De voorkeur voor min of meer open landschappen heeft mogelijk iets te maken met overlevingsdrang. Overleven in een te open landschap is moeilijk, omdat er te weinig prikkels vanuit gaan. Als het landschap te onoverzichtelijk is, worden er te veel prikkels ervaren. Het ligt voor de hand dat men in een stedelijke of in een werkomgeving te veel prikkels krijgt waardoor mentale vermoeidheid ontstaat. In een natuurlijke omgeving daarentegen is het prikkelniveau aanzienlijk lager waardoor mentale vermoeidheid uitblijft of meestal herstel plaatsvindt. (Berline, 1971; Pitt & Zube, 1987; Bell et al., 2002).
 
Literatuur mens-natuurrelatie
Appleton, J. (1975). The experience of landscape. John Wiley and Sons, Chichester, pp. 293.
Appleton, J. 1984. Prospects and refuges re-visited. Landscape Journal 3 (2): 91-103.
Bell, P.A., T.C. Greene, J.D. Fisher & A. Baum (2002). Environmental Psychology. Thomson, Belmont, 5 th print, pp. 634.
Berline (1971). In Aestheticts and psychology. In: Pitt, D.G. & E.H. Zube, 1987. Management of natural environments. In: Stokols, D. & I. Altman (eds) Handbook of environmental psychology. Wiley, New York, pp. 1009-1042.
Kaplan, R. & S. Kaplan (1989). The experience of nature, a psychological perspective. Cambridge University Press, Cambridge, pp. 340.
Kellert, S.R. & E.O. Wilson (Eds.) (1993). The biophilia hypothesis. Island Pres, Washington. pp. 450.
Pitt, D.G. & E.H. Zube (1987). Management of natural environments. In: Stokols, D. & I. Altman (Eds.), Handbook of environmental psychology. Wiley, New York, pp. 1009-1042.
Ulrich, R.S. (1983). Aesthetic and affective response to natural environment. In: I. Altman and J.F. Wohlwill (Eds.),. Behavior and the natural environment. Plenum Press, New York, pp. 85-125.
Terug naar top pagina

 

 

Mens-natuurrelatie Terug naar top pagina
Uit onderzoek blijkt dat mensen een voorkeur hebben voor een groene, natuurlijke omgeving. (o.m. Kalpan, 1989) Waar komt deze voorkeur vandaan? In deze publicatie wordt er van uitgegaan dat de mens volledig deel uitmaakt van de natuur. Alle natuurwetten, die gelden voor andere organismen, gelden ook voor mensen. De mens is een primaat, het product van tientallen miljoenen jaren evolutie. De menselijke genen zijn in relatie met de natuur ontwikkeld en zijn het product van een evolutieproces. Onze genen hebben een sterke relatie met die van andere primaten zoals chimpansees. www.bprc.nl/BPRCNL/L2/HomeNL.html). Het is de vraag of deze oeroude genetische relatie met de natuur in ongeveer 10.000 jaar zal verdwijnen. Uiteraard zullen er allerlei culturele invloeden zijn, die de band met de natuur verzwakken of versterken. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor de een zijn leven lang thuis postzegels verzamelt en zelden of nooit in de natuur komt, terwijl een ander geen dag zonder de natuur kan. Over de band met de natuur zijn allerlei moeilijk bewijsbare theorieën ontwikkeld.
Mensen zijn net als alle andere organismen ingesteld op natuurlijke prikkels afkomstig uit het landschap. In een stedelijke omgeving zijn er dikwijls meer prikkels dan we kunnen verwerken. Vandaar dat er voorkeur bestaat voor natuurlijke prikkels. (Appleton, 1975; Kellert & Wlson, 1993; Ulrich, 1983). De voorkeur voor min of meer open landschappen heeft mogelijk iets te maken met overlevingsdrang. Overleven in een te open landschap is moeilijk, omdat er te weinig prikkels vanuit gaan. Als het landschap te onoverzichtelijk is, worden er te veel prikkels ervaren. Het ligt voor de hand dat men in een stedelijke of in een werkomgeving te veel prikkels krijgt waardoor mentale vermoeidheid ontstaat. In een natuurlijke omgeving daarentegen is het prikkelniveau aanzienlijk lager waardoor mentale vermoeidheid uitblijft of meestal herstel plaatsvindt. (Berline, 1971; Pitt & Zube, 1987; Bell et al., 2002).
 
Literatuur mens-natuurrelatie
Appleton, J. (1975). The experience of landscape. John Wiley and Sons, Chichester, pp. 293.
Appleton, J. 1984. Prospects and refuges re-visited. Landscape Journal 3 (2): 91-103.
Bell, P.A., T.C. Greene, J.D. Fisher & A. Baum (2002). Environmental Psychology. Thomson, Belmont, 5 th print, pp. 634.
Berline (1971). In Aestheticts and psychology. In: Pitt, D.G. & E.H. Zube, 1987. Management of natural environments. In: Stokols, D. & I. Altman (eds) Handbook of environmental psychology. Wiley, New York, pp. 1009-1042.
Kaplan, R. & S. Kaplan (1989). The experience of nature, a psychological perspective. Cambridge University Press, Cambridge, pp. 340.
Kellert, S.R. & E.O. Wilson (Eds.) (1993). The biophilia hypothesis. Island Pres, Washington. pp. 450.
Pitt, D.G. & E.H. Zube (1987). Management of natural environments. In: Stokols, D. & I. Altman (Eds.), Handbook of environmental psychology. Wiley, New York, pp. 1009-1042.
Ulrich, R.S. (1983). Aesthetic and affective response to natural environment. In: I. Altman and J.F. Wohlwill (Eds.),. Behavior and the natural environment. Plenum Press, New York, pp. 85-125.
Terug naar top pagina

 

 

Voorkeur voor natuur Terug naar top pagina
Er is veel onderzoek verricht naar voorkeuren (preference) voor natuur, inclusief parken. (onder meer Grahn, 2005; Kaplan, 1989; Kaplan et al., 1998; Ulrich, 1986; Kearney, 2006). Dat landschappen bij voorkeur min of meer open moeten zijn wordt het duidelijkst toegelicht door Appleton (1975), Kaplan (1987) en Kaplan et al. (1998).
Mensen hebben graag overzicht, omdat dat een zekere controle over het landschap geeft. Je kunt zien wat er gebeurt en je ziet de structuur. Uit de praktijk blijkt dat dichte bossen of struwelen met nauwe paden beklemmend kunnen werken, vooral als personen alleen zijn. Uit de praktijk van het stedelijk groen is gebleken dat onoverzichtelijke situaties, bijvoorbeeld nauwe paden die aan weerszijden dicht zijn beplant, vooral door vrouwen als onaangenaam of als onveilig worden ervaren. Een concrete aanleiding voor dit gevoel ontbreekt meestal. Omdat zowel vrouwen als mannen zich ontspannen moeten kunnen voelen, is het noodzakelijk dat we daar bij ontwerp en beheer van de groene buitenruimte rekening mee houden.

Openheid en overzicht bevorderen het gevoel van veiligheid. Ulrich (1986, p. 32) noemt, mede gebaseerd op onderzoek van andere auteurs, zes kwaliteitskenmerken die de voorkeur voor een landschapstype bepalen. Dit zijn: voldoende complexiteit, structuur (samenhang), voldoende openheid (perspectief/diepte), een min of meer vlakke bodem (voor toegankelijkheid), gebogen zichtlijnen (vooral door Kaplan et al. 1998 sterk uitgewerkt) en de aanwezigheid van water. Niet voor niets zijn plekken bij het water toplocaties voor woningbouw. Ulrich (1993, 1999) voert evolutionaire motieven aan die ten grondslag liggen aan voorkeurskenmerken van landschappen. In één zin samengevat is dat: “Openheid, overzichtelijkheid, leesbaarheid en water hangen nauw samen met overleven en veiligheid”. Het laatste aspect wordt vooral door Appleton (1975) goed verwoord: “Alles overzien zonder zelf gezien te worden”.

Literatuur voorkeur/diversiteit voor natuur/groen  
Grahn, P. & A.M., Berggren-Bärring (1995). Experiencing parks. Man's basic underlying concepts of qualities and activities and their impact on park design. Ecological Aspects of Green Areas in Urban Environments. IFPRA World Congress, Antwerp, Flanders, Belgium : 3-8 September 1995, pp. 97-101.
Grahn, P., Stigsdotter, U. & A.M., Berggren-Bärring (2005). A planning tool for designing sustainable and healthy cities. The importance of experienced characteristics in urban green open spaces for people's health and well-being. In Conference proceedings “Quality and Significance of Green Urban Areas”, April 14-15, 2005 , Van Hall Larenstein University of Professional Education, Velp, The Netherlands, pp. 29-38.
Kaplan, R., S. Kaplan & L. Ryan (1998). With people in mind: design and management of everyday nature. Island Press, Washington. 225 p.
Kaplan, S. (1987). Aesthetics, affect, and cognition: environmental preference from an evolutionary perspective. Environment and Behavior 19 (1): 3-32.
Kearney, A.R. (2006). Residential Development Patterns and Neighborhood Satisfaction. Environment and Behavior 38 (1): 112-139.
Rydberg, D. & J.Falck (1998). Designing the urban forest of tomorrow: Pre-commercial thinning adapted for use in urban areas in Sweden. Arboricultural Journal 22: 147-171.
Stigsdotter, U A. (2005). Landscape architecture and health. Thesis (PhD). Dept. of Landscape Planning, Alnarp, SLU. Acta Universitatis agriculturae Sueciae 55, pp.  37.
Talbot, J.F., Bardwell, L.V. & R. Kaplan (1987). The functions of urban nature: uses and values of different types of urban nature settings. Journal of Architectural and Planning Research 4 (1): 47-63.
Terug naar top pagina

 

 

Onderzoek Grahn et al.   Terug naar top pagina
Het meest relevante onderzoek voor het stedelijk gebied is wellicht dat van Berggren-Barring & Grahn (1995), Grahn (2005)en Stigsdotter (2002 en 2005). Aan de hand van een uitvoerig onderzoek in drie steden in Zweden werden voor de open groene ruimte acht basiskenmerken onderscheiden (Zie Tabel). Dit is ook in de geest van de “Vierde nota over ruimtelijke ordening” (Ministerie van VROM,1988) waarin verscheidenheid één van de aspecten is die bepalend zijn voor de kwaliteit van de woon - en leefomgeving. Het is dus gewenst dat er een variatie van verschillende landschapstypen en sferen of sfeerbeelden is.
Daarnaast is het ook de vraag wat die natuur betekent voor mensen. Uit een omvangrijk literatuuronderzoek verricht voor het lectoraat Stedelijke Beplantingen en Le Notre (www.Le-Notre.Org) komen een aantal opvallende betekenissen naar voren.
Door verschillende auteurs worden er verschillende indelingen gemaakt. Er zitten echter wel overeenkomsten in de indelingen. In deze publicatie gaat het niet om de indeling, maar om de aspecten die er toe doen. Aan de hand van bovengenoemd literatuuronderzoek zullen functies worden belicht. Daarnaast worden ook enkele “persoonlijke” aspecten toegevoegd, bijvoorbeeld de culturele betekenis van groen.
Op deze pagina wordt vooral door middel van foto's ingegaan op de verscheidenheid in gebruik van de natuur. De hier gebruikte indeling is grotendeels gebaseerd op het onderzoek van Grahn, omdat het de diversiteit van gebruik van groen op een wetenschappelijk onderbouwde wijze in beeld brengt en laat zien dat verschillende typen groen wenselijk zijn ( zie ook: Cooper Marcus et al., 1997; Talbot et al., 1987; Özgüner & Kendle, 2006; Koster, 1994)
Literatuur
Cooper Marcus, C., C. M., Watsky, E. Insley & C. Francis (1997). Neighborhood parks. In: Cooper Marcus, C. & C. Francis (Eds.), People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario , pp. 85-148.
Grahn, P. & A-M. Berggren-Bärring (1995). Experiencing parks. Man's basic underlying concepts of qualities and activities and their impact on park design. Ecological Aspects of Green Areas in Urban Environments. IFPRA World Congress, Antwerp, Flanders, Belgium, 3-8 September, pp. 97-101.
Grahn, P., Stigsdotter, U. & A-M. Berggren-Bärring (2005). A planning tool for designing sustainable and healthy cities. The importance of experienced characteristics in urban green open spaces for people's health and well-being. In Conference proceedings “Quality and Significance of Green Urban Areas”, April 14-15, Van Hall Larenstein University of Professional Education, Velp, The Netherlands, pp. 29-38.
Koster, A. (1994). De groene omgeving; een bijdrage aan een gezonde samenleving. Schuyt, Haarlem, pp. 184.
Talbot, J.F., Bardwell, L.V. & R. Kaplan (1987). The functions of urban nature: uses and values of different types of urban nature settings. Journal of Architectural and Planning Research 4 (1): 47-63.
Özgüner, H. & A.D. Kendle (2006). Public attitudes towards naturalistic versus designed landscapes in the city of Sheffield (UK). Landscape and Urban Planning 74: 139-157.
Meer literatuur
Characteristics of eight nature/garden rooms (derived form Grahn, 2005)
1. Serene Peace, silence and care. Sounds of wind, water, birds and insects. No rubbish, no weeds, no disturbing people.
2. Wild Fascination with wild nature. Plants seem self-sown. Lichen and moss-grown rocks, old paths.
3. Rich in species High biodiversity. A room offering a variety of wild species of animals and plants.
4. Spacious A room offering a restful feeling of “entering another world”, a coherent whole, like a beech forest.
5. The common A green open place admitting of vistas and stay.
6. The pleasure garden A place of imagination. An enclosed, safe and secluded place where you can relax and be yourself, let your children play freely and also experiment.
7. Festive A meeting place for festivity and pleasure.
8. Culture The essence of human culture: A historical place offering fascination with the course of time
Aan de hand van foto's wordt een aanzet gegeven tot het concreet maken van de karakteristieken. Tegelijkertijd is te zien wat mensen met natuur doen en wat natuur voor mensen kan betekenen.
Terug naar top pagina

 

 

Natuur en biodiversiteit Terug naar top pagina
Het zien en het beleven van verschillende levensvormen kan bijdragen aan de cognitieve en emotionele ontwikkeling van kinderen. Het zien en beleven van verscheidenheid is ook voor volwassenen van belang. De meeste mensen zien graag verschillende soorten bloemen, vogels en vlinders. Daarnaast is de stad ook een plek voor honderden soorten die de gemiddelde burger nooit krijgt te zien. Voor de landelijke biodiversiteit wordt het stedelijke gebied steeds belangrijker. De groene ruimte draagt daar veel aan bij.
Biodiversiteit draagt bij aan de belevingswaarde van de woon - en leefomgeving in het stedelijk gebied. Hierin was natuur tot voor de jaren zestig - zeventig sterk beperkt. Niet alleen omdat er relatief weinig groen was, maar ook door het intensieve beheer . Door ecologisch groenbeheer, dat vanaf de jaren tachtig een steeds grotere rol ging spelen, is de biodiversiteit sterk toegenomen. Hieraan dragen bloemplanten, paddestoelen, vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen, vlinders, hommels, bijen en tal van andere groepen organismen bij. Veel plantensoorten, die vroeger beperkt waren tot natuurgebieden en het boerenland, komen steeds meer in de stad voor. Zelfs vogels als de lepelaar en de zilverreiger kunnen nu aan stadsranden en in stadsparken worden waargenomen.
Zie ook: http://www.urbanhabitats.org
Literatuur biodiversiteit en waardering/gebruik natuur
Akbar, K.F., W.H.G. Hale & A.D. Headley (2003). Assessment of scenic beauty of the roadside vegetation in northern England. Landscape and Urban Planning 63: 139-144.
Grahn, P. Stigsdotter, U. & A-M. Berggren-Bärring (2005). A planning tool for designing sustainable and healthy cities. The importance of experienced characteristics in urban green open spaces for people's health and well-being. In Conference proceedings “Quality and Significance of Green Urban Areas”, April 14-15, 2005 , Van Hall Larenstein University of Professional Education, Velp, The Netherlands, pp. 29-38.
Jorgenson, A., J. Hitchmough & T. Calvert (2002). Woodland spaces and edges: their impact on perception of safety and preference. Landscape and Urban Planning 60: 135-150.
Miller, J. (2005). Biodiversity conservation and the extinction of experience. Trens in Ecology and Evolution 20 (8): 430-434.
Özgüner, H. & A.D. Kendle (2006). Public attitudes towards naturalistic versus designed landscapes in the city of Sheffield (UK). Landscape and Urban Planning 74: 139-157.
Parsons, R., L.G. Tassinary, R. S. Ulrich, M.R. Hebl & M. Grossman-Alexander (1998). The view from the road: implications for stress recovery and immunization. Journal of Environmental Psychology 18:113-139.
Savard, J-P.L., P. Clergeau & G. Mennechez (2000). Biodiversity concepts and urban ecosystems. Landscape and Urban Planning 48: 131-142.
Williams, K.J.H. & J. Cary (2002). Landscape preferences, ecological quality, and biodiversity protection. Environment and Behavior 34 (2): 257-274.
Lit. natuur in de stad
Terug naar top pagina

 

 

Toegang (Access) Terug naar top pagina

Toegang wordt hier gedefinieerd als toegang tot en het recht op gebruik van natuur inclusief de groene openbare ruimte. (Access: The means or right of visual or physical using (in the context of landscape design) open space. Access is seen as the most fundamental requirement of open space). Als natuur bijdraagt aan het welzijn en de gezondheid van mensen heeft iedereen recht op natuur (Raad Landelijk Gebied, 2005). Het gaat dan om natuurbeleving en de prikkel om in beweging te komen. Dat recht kan in de praktijk alleen worden gerealiseerd als er voldoende natuur aanwezig en bereikbaar is. Verder moeten de terreinen iets te bieden hebben en moeten ze zich in een toestand bevinden, die het aantrekkelijk maakt om deze te bezoeken. De Raad voor het Landelijk Gebied (2005) gaat in op de hoeveelheid groen en de bereikbaarheid daarvan en pleit voor meer groen en een betere kwaliteit en bereikbaarheid daarvan.
Literatuur toegankelijkheid en veiligheid
Toegang (access) tot natuur Zie ook lit. window view/zicht uit het raam
Voor de weinig mobiele groepen zal natuur en groen voor de deur moeten liggen of op een loopafstand van minder dan 50 tot 100 meter. Voor voorbeelden van mobiliteit wordt ook verwezen naar onder meer de foto's van ouderen op de pagina Bewegen). De oppervlakte van het groen wordt vooral ook bepaald door de diversiteit in functies en interesse van de potentiële gebruikers. De vuistregel is hoe groter het park is, des te meer mogelijkheden het biedt en des te meer mensen er gebruik van zullen maken (Grahn, 2005)
Toegankelijkheid
Toegang wordt bepaald door een complex van factoren. Aan de hand van eigen praktijkervaringen en literatuur wordt op een aantal aspecten in gegaan. Voor details wordt verwezen naar de gebruikte literatuur.
Om gebruik te kunnen maken van een park, bos of rozenperk moet men visueel toegang hebben tot deze natuur (zie literatuur Window view) of men moet zich op de een of andere wijze kunnen verplaatsen. Dat betekent dat men moeite moet doen om ergens te komen. Hoe groter de aantrekkingskracht van een gebied en hoe vitaler een persoon is, des te groter is de kans dat een bepaalde plek wordt bereikt. In extreme gevallen is het ene uiterste bijvoorbeeld het bereiken van een bergtop, terwijl het andere uiterste is dat men op eigen kracht niet van een stoel of uit een bed kan komen. Tussen beide extremen ligt een breed gebied. Het accent wordt hier echter gelegd op toegankelijkheid van natuur voor minder mobiele en meer kwetsbare groepen, zoals ouderen, kinderen en mensen met fysieke en mentale beperkingen.
Fysiek
Bereikbaarheid wordt vaak uitgedrukt in afstand. Hoe dichter een park bij een woonwijk ligt hoe meer mensen daar gebruik van zullen maken. De afstanden die hierbij worden genoemd variëren van 300 tot 500 meter. (Bezemer & Bervaes, 2004; Grahn, 2005; Stigsdotter & Grahn, 2004; Raad Landelijk Gebied, 2005; URGE Team, 2004). Voor veel ouderen en mensen met fysieke beperkingen is dat een te grote afstand. Voor veel ouderen en kinderen is de absolute afstand wel goed overbrugbaar, maar is het vaak het gemotoriseerde verkeer dat de overbrugging moeilijk of onmogelijk maakt. Voor deze groep moet kleinschalig groen op aangepaste loopafstand worden aangelegd. (zie Kleinschalig groen via startpagina).
Psychologisch
Op psychologisch gebied kunnen veel factoren een rol spelen in de aantrekkingskracht van natuur. De plek moet iets te bieden hebben en moet dus voldoen aan een bepaalde behoefte (zie Voorkeur natuur). Daarnaast kan ook stress van invloed zijn (Grahn, 2005: Tabel Relatie stress en afstand). Het ontbreken van bepaalde faciliteiten, zoals een horeca of een toilet, kan een belemmering vormen voor . Bepaalde vormgeving en ontwerp kunnen een plek sensorisch aantrekkelijk en gebruiksvriendelijk maken. Ook de beheervorm van de groene ruimte is van belang. Slecht beheer of verwaarlozing verminderen de kwaliteit en vrijwel zeker het aantal bezoekers. De toegangsroute kan door ontwerp, gebruik en beheer een psychologische barrière vormen. Een lange, saaie straat of weg zonder groen door een bedrijventerrein uit de jaren zestig vormt geen aanmoediging om naar buiten te gaan.
Terug naar top pagina

 

 

Sociale contacten Terug naar top pagina
Parken, natuur en andere groene elementen dragen bij aan het maken van sociale contacten. Dit is geen boekenwijsheid, maar kan door iedere burger worden geconstateerd, die de moeite neemt om een paar dagen in een stad rond te fietsen. Bezoeken aan volkstuincomplexen laten duidelijk zien, dat het op volkstuinen ook om het hebben van sociale relaties gaat. In veel steden zijn parken en plantsoenen vaste ontmoetingplaatsen. Dit kan variëren van ontmoetingen tussen spelende kinderen tot ontmoetingsplaatsen van ouderen met bijvoorbeeld familie, kennissen of vrienden. Ook de integratie van verschillende sociale groepen en leeftijdsklassen speelt hierbij een belangrijke rol.
Parken worden gebruikt voor familiecontacten en in de grote steden lijken parken soms smeltkroezen voor verschillende culturen. Voor het laatste zouden parken veel meer uitgebuit moeten worden door voorzieningen te scheppen, die de integratie bevorderen van sociale groepen met een verschillende culturele achtergrond.
Niet op alle plekken hoeft het een zee van bloemen te zijn. In de meeste parken spelen de sociale contacten zo grote rol dat de natuur hier een stap terug moet doen. Biodiversiteit moet dan gezocht worden in de bomen en langs de randen van beplantingen.
Enkele beelden van sociale aspecten: Utrecht --- Veenendaal
Literatuur
Blokland, T., 2006. Het sociaal weefsel van de stad. KEI, Kennisbank. (link bij literatuuroverzicht)
Coley, R.L., F.E. Kuo & W.C. Sullivan, 1997. Where does community grow? The social context created by nature in urban public housing. Environment and Behavior 29 (4): 468-494.
Cooper Marcus, C. & C. Francis, 1997. People places: design guidelines for urban open space. Wiley & Sons, Ontario, pp.367.
Gobster, P.H., 1998. Urban parks as green walls or green magnets? Interracial relations in neighbourhood boundary parks. Landscape and Urban Planning 41 (1): 43-55.
Hung, K. & J.L. Crompton, 2006. Benefits and constrains associated with the use of an urban park reported by a sample of elderly in Hong Kong. Leisure Studies 25 (3): 291-311.
Kweon, B.-S., W.C. Sullivan & A.R. Wiley, 1998. Green common spaces and the social integration of inner-city older adults. Environment and Behavior 30 (6): 832-858.
Jokovi, M., 2000. Recreatie van Turken, Marokkanen en Surinamers in Rotterdam en Amsterdam. Alterra rapport 3. Alterra, Wageningen.
Ward Thompson, C., 1995. Updating Olmsted. Landscape Design. 254: 26-31.
Ward Thompson, C., 1998. Historic American parks and contemporary needs. Landscape Journal 60 (1): 1-25.
Whyte, W.H., 1980. The social life of small urban spaces. Project for Public Spaces, New York, pp. 125.
Meer literatuur
Terug naar top pagina

 

 

Kinderen en spelen Terug naar top pagina
Avontuurlijk spelen is een enorm belangrijk leerproces. Het gaat hier om lichamelijke vaardigheden en het inschatten van risico's. Als je dat op jonge leeftijd niet leert, zou dat later wel eens tot problemen kunnen leiden. Avontuurlijk spelen zou op veel meer plekken mogelijk moeten zijn. Niet alleen op speciale afgerasterde plekken waar allerlei veiligheidsvoorschriften het avontuurlijke aspect inperken. Ook in veel openbare parken en plantsoenen moeten mogelijkheden voor avontuurlijk spelen geboden worden (Natuurspeeltuin Rotterdam 2003)
Literatuur kinderen en spelen

Foto's Speelplekken in de buitenruimte

 

 
Emotionele ontwikkeling
Vrijwel alle kinderen spelen graag buiten. Als er water of zand in de buurt is, zijn er vrijwel altijd direct kinderen bij te vinden. Op grasland wordt gespeeld, in bosjes worden hutten gebouwd, in bomen wordt geklommen, bloemen worden geplukt en beestjes gevangen. Kinderen struinen graag door bosjes en ruigten. Ondanks het feit dat de meeste kinderen thuis het mooiste speelgoed bezitten, blijft de groene buitenruimte trekken.
Hoe belangrijk is dit alles? Hierover is veel wetenschappelijk onderzoek verricht. (Zie ook: Kastten et al., 2001). Uit het onderzoek van Sebba (1991) blijkt dat een groot deel (46%) van de kinderen, die werden ondervraagd, een voorkeur heeft voor de buitenruimte en dat bijna alle (96%) ondervraagde volwassenen dat de belangrijkste plek in hun jeugd vond. Volgens Sebba is dat toe te schrijven aan de unieke waarnemingen in de kindertijd waarbij met alle vijf zintuigen werd waargenomen. Dit lijkt een redelijke verklaring die strookt met ervaringen in de praktijk.
In Veenendaal wordt door het IVN (Vereniging voor natuur- en milieueducatie) al minstens 20 jaar natuureducatie aan jonge kinderen gegeven. Dit gebeurt niet alleen binnen de onderwijsuren, maar ook op de zaterdagochtenden. De activiteiten vinden plaats in de IVN-tuin met een beestjespad, vijver, voelpad en zintuigbakken (voelen, ruiken, proeven, kijken) en verder in de openbare ruimte in vijvers, sloten, plantsoenen en het bos. Bijna zonder uitzondering zijn alle kinderen steeds zeer enthousiast en verwonderd tegelijk. In de meeste gevallen ligt het accent bij natuureducatie op natuurbeleven en exploratie. Dat gaat meestal samen met cognitieve vorming, het leren maken van sociale contacten en het trainen van het waarnemingsvermogen.
Voor een aantal onderzoekers lijkt het voor de hand te liggen dat contact met de natuur bijdraagt aan de emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen. Zie ook Kellert, 2002; Fjortoft & Sageie 2000; Liz, J. & R. Steinhagen, 2000; Verboom et al., 2006; White, 2007.
Natuureducatie
Het is niet meer vanzelfsprekend dat kinderen in contact komen met de natuur. Als kinderen en uiteraard ook volwassenen van de natuur vervreemden, kan dat op den duur nadelige gevolgen hebben voor natuur en milieu en uiteindelijk voor ons zelf. Door menselijk handelen verdwijnen planten en diersoorten en worden ecologische relaties verstoord. Natuur- en milieueducatie zijn er op gericht mensen door middel van confrontatie met de natuur bewust te maken van de ecologische relaties. Meestal gebeurt dit op een ontspannende wijze, waarbij vooral bij kinderen natuurbeleven voorop staat. (zie bij: Emotionele en cognitieve ontwikkeling ). Bij natuureducatie snijdt het mes dus aan twee kanten: educatie en beleven. Een natuurlijke omgeving in het bewoonde gebied of rondom de school kan daar aan bijdragen.
Door het belevingsaspect kan natuureducatie een positieve invloed hebben op het leerproces en de persoonlijke vorming (zie bij: Sociaal-emotionele ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling). Natuureducatie is ook beleven en wordt door de foto's geïllustreerd. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat natuureducatie de houding ten aanzien van natuur en milieu sterk beïnvloedt. Kinderen die geregeld in contact komen met de natuur zullen ook later meer geneigd zijn natuurlijke plekken te bezoeken en te profiteren van de voordelen van de natuur. (Bingley & Milligan, 2004; Ward Thompson et al, 2004; Wells & Lekies, 2006) Voor meer informatie en literatuur over natuureducatie worden verwezen naar: http://www.ivn.nl --- www.stichtingoase.nl --- http://www.milieueducatie.be
 
Sociaal-emotionele ontwikkeling
De openbare ruimte, waaronder veel groene en natuurlijke plekken, kan in belangrijke mate bijdragen aan het maken van sociale contacten. Dat is vaak een uiterst gecompliceerd proces waarbij verschillende rollen gespeeld kunnen of moeten worden. Het gaat om samenwerken, leidinggeven, zich terughoudend opstellen, gedachten uitwisselen, emoties uiten, naar elkaar luisteren, elkaar corrigeren of meer voor elkaar gaan voelen. (Burdette & Whitaker, 2005; Moore, 1986, 1996; Bixler, 2002; Talor, 1998) Dit zijn allemaal componenten van het spelen. Bij de hoofdstukken “Betekenis van bomen” en “Sociale contacten” zijn daar ook al voorbeelden van gegeven. Er zijn aanwijzingen dat een natuurlijke omgeving bijdraagt aan het verminderen van vandalisme, bepaalde vormen van criminaliteit en pesterijen. (Kuo, 2001; Malone & Tranter 2003; Worepole, 2003)
 
Motorische ontwikkeling en inschatten van risico's
De basale motorische ontwikkeling van met name armen, benen, wendbaarheid, etc. wordt vooral in de jonge levensjaren gevormd. Banjeren door de natuur, het klimmen in bomen, het bouwen van hutten, verstoppertje spelen en boompje verwisselen zijn zeer bevorderlijk voor de motoriek. (Zie ook Karsten, 2001). In een structuurrijke omgeving kunnen alle motorische handelingen steeds worden geoefend. Er zijn aanwijzingen dat spelen in een natuurlijke omgeving gepaard gaat met het ontwikkelen van een betere motoriek (Grahn et al. 1997; Fjortoft & Sageie, 2000, 2001; Fjortoft, 2004) Voor de effecten van bewegen op de fysieke gezondheid wordt verwezen naar de pagina Bewegen en gezondheid.
Bij een goede motorische ontwikkeling hoort ook het leren inschatten van risico's. Voorbeelden hiervan zijn, dat je bij het klimmen in een boom kunt vallen of een tak kan breken, bij het springen over een plas of een sloot kan je nat worden en een hut kan instorten. Het gaat ook om de juiste coördinatie tijdens allerlei handelingen, zoals het inschatten van tijd en het kunnen ontwijken van iets. Dat alles kan uiteraard ook gebeuren in een gymzaal of in de speeltuin, maar een structuurrijke en veranderende omgeving biedt meer variatie wat kan leiden tot een betere motorische ontwikkeling. (Cooper Marcus, 2001; Wilkinson, 1986). Hierbij horen ook bepaalde risico's die tot op zekere hoogte moeten worden geaccepteerd. “The disjunction between private and public understanding is equally marked when judgments about risk and play need to be made. In the personal sphere many adults readily affirm the connection between risk and play: no risk, no play. But this is lost at the moment personal understanding enters the public realm” (Spiegel et al. 2005).
Citaat
“ All children both need and want to take risks in order to explore limits, venture into new experiences and develop their capacities, from a very young age and from their earliest play experiences. Children would never learn to walk, climb stairs or ride a bicycle unless they were strongly motivated to respond to challenges involving a risk of injury. Children with disabilities have an equal if not greater need for opportunities to take risks, since they may be denied the freedom of choice enjoyed by their non-disabled peers”. www.freeplaynetwork.org.uk/adventure
 
Exploratie en cognitieve ontwikkeling
Spelen gaat samen met emotionele en cognitieve ontwikkeling. Op een kaal, betegeld plein is weinig te ontdekken. In complex samengestelde structuren echter wel. Op een lege schoenendoos zijn kinderen snel uitgekeken, terwijl de binnenkant van een ouderwets uurwerk zeer fascinerend kan zijn. Met de buitenruimte is het net zo. In complexe vegetatiestructuren is van alles te ontdekken en te beleven. Hoge begroeiingen kunnen donker en spannend zijn en de fantasie prikkelen.
Een meer natuurlijke omgeving kan de cognitieve ontwikkeling van kinderen gunstig beïnvloeden, onder meer op het gebied van concentratie en zelfdiscipline (Pyle, 2002; Tayer, 2002; Wells, 2000). Een onderzoek in Engeland waar 700 basisscholen aan deelnamen wijst uit dat het betrekken van schoolterreinen een gunstige invloed heeft op het leergedrag van kinderen (http://www.ltl.org.uk ) Zie ook de andere publicaties op deze website; Burdette & Whitaker, 2005. Education Development Centre, 2001 Malone, K. & Tranter, 2003.
 
Speelruimte
Allerlei vormen van buitenspelen en natuurbeleven dragen bij aan de ontwikkeling van kinderen. Soms is een paar vierkante meter al voldoende. Kinderen kunnen zich vermaken in een rozenperk dat met zand is opgehoogd of plukken bloemen die langs het trottoir groeien. De drang tot exploratie gaat aanzienlijk verder. De foto's op deze pagina en de tientallen foto's, die op andere pagina's en hoofdstukken zijn opgenomen, laten daar voorbeelden van zien. Het gaat om allerlei activiteiten waarbij kinderen lichamelijk, emotioneel, cognitief en sociaal betrokken zijn. (Zie ook bij Betekenis bomen ). Dat zal ongetwijfeld van belang zijn voor hun sociaal en maatschappelijk functioneren in verschillende levensfasen, maar dat onderwerp valt buiten het bestek van deze publicatie.
Wereldwijd zijn er honderden, wellicht duizenden publicaties verschenen, die op zijn minst aannemelijk maken dat een gevarieerde groene buitenruimte van betekenis is voor een goede ontwikkeling van kinderen. In het stedelijk gebied is deze ruimte beperkt en krimpt steeds verder in. De resterende groene ruimte wordt meestal op een zodanige wijze ontworpen en beheerd dat mogelijkheden tot exploratie sterk worden beperkt (Bell et al., 2003; Cunningham, 2002; Worpole, 2003). Geldelijk gewin ligt hier vaak aan ten grondslag en dat is al enkele eeuwen het geval. (Van Rooijen, 1990 zie bij economie). Maar met de voortdurende vergroting van steden gaat dat vormen aannemen, die de dictatuur van de vierkante meterprijs voor bijna iedereen voelbaar en onacceptabel maakt.
Ruime exploratie mogelijkheden zijn noodzakelijk voor de ontwikkeling van kinderen. De vraag is of dit proces ondergeschikt moet worden gemaakt aan bepaalde vormen (uitwassen) van de economie.
 
Meer speelruimte een noodzaak
Er zijn sterke aanwijzingen dat meer en ruimere voorzieningen voor de exploratiemogelijkheden van kinderen een bittere noodzaak is. (Ward Thomson, Travlou & Roe, 2006) De belangrijkste conclusie uit dit rapport luidt: "Our findings support the notion that free and easy access for adventurous and enjoyable engagement with outdoor environments has the potential to confer a multitude of benefits on young people's development and therefore to benefit society as a whole. There is therefore a need to recognize and promote the concept that all young people should have access to wild adventure space. The costs of not doing so, to individuals and to society, are potentially enormous. The Adventure Licensing Authority suggest that , by constraining young people's access to structure adventure, we have already condemned an entire generation to a life of awful quality and shocking brevity (Bailie, 2005)" Ward Thompson, C., P. Travlou & J. Roe (2006). Free-Range teenagers: the role of wild adventure space in young people's lives. Final report [online]. Edinburgh College of Art and Heriot-Watt University, pp. 53p. Available from: www.openspace.eca.ac.uk [accessed april 2007].
Terug naar top pagina
 

 

 

Fysieke gezondheid Terug naar top pagina
Tuinieren is een van de betere methoden om lenig en fit te blijven. Bij de verschillende werkzaamheden, die in verschillende lichaamshoudingen moeten worden verricht, worden vrijwel alle spieren gebruikt. Hier wordt het pad geschoffeld, een vrij inspannende bezigheid die zeker net zo goed is als lopen of fietsen. Het tuinonderhoud gebeurt steeds meer machinaal. Als we het met eigen lichaamskracht doen, sparen we de portemonnee, fossiele energie, zorgen we niet voor onnodig lawaai en het is bovendien gezonder.
Behalve tuinieren zijn er nog vele andere mogelijkheden om in bewegingte komen. Een natuurlijke omgeving kan een stimulans zijn om naar buiten te gaan. Waar een ruime mate van biodiversiteits is, is deze stimulans aanwezig.
Bewegen en natuur
We eten te veel en we bewegen te weinig. Bewegen en te veel eten staan in principe los van natuur inclusief stedelijke groen. Minder of anders eten vraagt om een vorm van discipline en om een mentale omschakeling naar een ander eetgedrag. Bewegen kunnen we overal: in de sportzaal, in een fitness centrum en op alle andere plekken waar we maar willen. Groen en natuur lijken hierbij geen noodzaak. Maar zowel op werkdagen als in het weekend fietsen en lopen mensen niet domweg rondjes in de woonwijk, maar gaan bijna zonder uitzondering naar een groene plek. Dit kan een park, een bos, de stadsrand zijn of ze zoeken een groene corridor, zoals een fiets - of wandelpad door een woonwijk die geflankeerd wordt door groene elementen. Ze lopen of fietsen langs een kanaal, een vaart of een plas.
Een groot gedeelte van de bevolking doet dat echter niet of doet het te weinig, omdat de tijd ontbreekt, de groene plekken te ver weg liggen, door allerlei barrières onbereikbaar zijn of omdat het groen te weinig aansprekend of weinig uitdagend is. Verschillende onderzoeken wijzen uit, dat de afstand van groene landschapselementen zoals bossen en parken niet te ver van de woonomgeving en de werkplek moeten liggen.
Met kinderen en mensen met een beperkte mobiliteit wordt daarbij echter niet of nauwelijks rekening gehouden. Op basis van honderden gesprekken die in het werkveld met ouderen zijn gevoerd, wordt gesteld dat groene elementen voor velen dichter bij huis moeten liggen en dat groen veel meer te bieden moet hebben. Bewegen is noodzakelijk voor de individuele gezondheid en volksgezondheid. Dit geldt ook voor kinderen die steeds dikker worden. Daarom moet er alles aan worden gedaan om het bewegen te stimuleren. Groen en natuur spelen hierbij een belangrijke rol. In het hoofdstuk “Kleinschalig groen” en het hoofdstuk “Bereikbaarheid en gebruik” (Access) wordt daar nader op in gegaan.
Regelmatig bewegen, in de zin van activiteiten die een redelijke lichamelijke inspanning vragen, heeft een positief effect op de gezondheid en verhoogt de kwaliteit van het leven. Wat hier onder beweging wordt verstaan, wordt door de foto's gevisualiseerd. De kans op een aantal ernstige ziekten wordt bij matig intensieve beweging, zoals fietsen, wandelen, nordic walking, etc. verminderd. Intensieve activiteiten, zoals hardlopen en lichamelijk intensieve teamsporten hebben een gunstig effect op de conditie van hart en longen.
Literatuur
Auweele, Y.Vanden, P. vande Vliet & K. Delvaux (2001). Fysieke activiteit en psychisch welbevinden. Vlaams Tijdschrift voor Sportgeneeskunde & -Wetenschappen 22: (Speciale uitgave) 61-73.
Bird, W. (2004). Natural fit; can green space and biodiversity increase levels of physical activity? Royal Society for the Protection of Birds, Bedfordshire. 93 p.www.rspb.org.uk/policy/health
Booth, F.W. (2002). Cost and Consequences of sedentary living: new battleground for an old enemy. Research Digest 3 (16): 1-8. www.presidentschallenge.org/misc/news_research/research_digests/mar2002digest.pdf
Hardman, A.E.& D.J. Stensel (2003). Physical activity and health: the evidence explained. Routledge, Londen, pp. 289.
Health & Human Services, (2002). Physical activity fundamental to preventing disease. http://aspe.hhs.gov/health/reports/physicalactivity
Mosterd, W.L., E. Bol, W.R. de Vries, M.L. Zonderland, H.P.F. Peters, Th.C. de Winter & S.L. Schmikli (1996). Bewegen gewogen. Inventarisatie van wetenschappelijke gegevens en formulering van aanbevelingen ter ondersteuning van actiegericht beleid inzake sport en (volks)gezondheid. Vakgroep Medische Fysiologie en Sportgeneeskunde, Utrecht, pp. 131.
Pretty, J., M. Griffen, M. Sellens & C. Pretty (2003). Green exercise: complementary roles of nature, exercise and diet in physical and emotional well-being and implications for public health policy. CES Occasional paper 2003-1, University of Essex, pp. 38. http://www.ltscotland.org.uk/takinglearningoutdoors/images/GreenExercise_tcm4-391154.pdf
Meer Literatuur
Terug naar top pagina

 

 

Mentale gezondheid, stress en herstel Terug naar top pagina
Een wandeling door de robuuste natuur kan stress verminderen. Dat hoeft niet altijd ver van huis te zijn. Ruige parken of stukjes robuuste natuur in de buurt van de woonplaats of zelfs in het dagelijkse leefmilieu kunnen hetzelfde effect hebben.

 

Stress en natuur
Dat de natuur een positieve werking op ons heeft, is zoals eerder gezegd al lang bekend. Je zou dat een volkswijsheid kunnen noemen, waar de wetenschap weinig aan toevoegt. De wetenschap heeft er wel toe geleid, dat we nu weten hoe het proces ongeveer werkt. Een andere grote verdienste van het onderzoek naar de invloed van natuur op mensen is, dat we weten dat natuur geen vrijblijvende zaak is. Maar in de huidige intensieve en communicatieve samenleving is natuur een noodzaak voor waarschijnlijk het overgrote deel van de mensen.
Het krijgen van een burn-out is een sterk opkomend symptoom van de leefstijl in deze samenleving. In grote lijnen kan aan de hand van onderzoek worden gesteld, dat mensen die mentaal oververmoeid zijn, te lang onder stres staan, overspannen zijn of een burn-out hebben, baat hebben of kunnen hebben bij natuur, exacter geformuleerd: het zien van natuur of het zijn in natuur.
Wat is stress (overgenomen van Wikipedia (26-2-2007) http://nl.wikipedia.org/wiki/Stress
Stress is een vorm van spanning die in het lichaam van mensen of dieren optreedt als reactie op externe prikkels. De gevolgen van stress zijn zowel lichamelijk als geestelijk. Sommige vormen van stress zijn als positief te beschouwen. Stress speelt bijvoorbeeld een rol als er gevaar dreigt en draagt zo bij aan het overleven of welzijn. Ook is er positieve stress als men zich geestelijk en lichamelijk voorbereidt op een wedstrijd, een bijzondere prestatie op het werk enzovoort. Na enige tijd verdwijnt deze spanning weer en keert het lichaam terug in een toestand van rust.
Een hormoon dat bij stress in grotere hoeveelheden door het menselijk lichaam wordt aangemaakt, is adrenaline (http://nl.wikipedia.org/wiki/Adrenaline) . Stress wordt van individu tot individu zeer verschillend ervaren. Sommige mensen staan bijvoorbeeld open voor uitdagingen en beleven plezier aan de bijbehorende spanning, terwijl anderen zulke uitdagingen juist als bedreigend zien. Sommigen kijken met plezier naar griezelfilms, anderen niet. Als stress niet in het belang van een persoon is en als een nare ervaring wordt gezien, spreken we van negatieve stress.
Als een mens te lang stress ervaart of als deze te intens is (bij een psychotrauma ), kan dit zeer nadelige gevolgen hebben voor lichaam en geest. Lichamelijk ontstaan er dan mogelijk jachtige gevoelens, hoofdpijn en spierpijn, slaapproblemen, maagzweren en hart- en vaatziekten. Geestelijk kan te veel stress verantwoordelijk zijn voor nervositeit, overspannenheid, depressie, burn-out en angststoornissen .
De Yerkes-Dodson wet is een empirisch vastgestelde wet die aantoont dat er een relatie is tussen het stressniveau en de prestatie. (zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Yerkes-Dodson-wet)
Enkele bekende voorbeelden
Patiënten die geopereerd waren aan hun galblaas herstelden sneller en gebruikten minder pijnstillers, wanneer ze tijdens de herstelperiode uitzicht hadden op bomen, dan patiënten die tegen een stenen muur aankeken. (Ulrich, 1984)
Het zien van natuurbeelden door middel van dia's of videobeelden kan de bloeddruk en spierspanningen (stress symptomen) verlagen (Ulrich et al., 1991) Bij het zien van een griezelfilm is vermoedelijk bij de meeste mensen het tegenovergestelde het geval.
Gevangenen, die vanuit hun cel zicht hadden op het groene landschap, meldden zich minder vaak ziek dan gevangenen die op de binnenplaats uitkeken. (Moore, 1981)
Studenten die vanuit hun slaapvertrek uitzicht op een groene omgeving hadden, bleken zich beter te kunnen concentreren dan studenten die op een stedelijke omgeving uitkeken (Tennessen, 1995).
In Zweden is sprake van een sterke toename van burn-out. Uit Zweeds onderzoek is gebleken dat stress sterk vermindert door een bezoek aan of het zien van tuinen in werktijd. Dit geldt ook voor privé tuinen (Stigsdotter, 2004).
Mensen die geregeld het bos bezoeken, blijken zich minder gestrest te voelen dan mensen die andere milieus bezoeken (Bell et al., 2005; Grain & Stigsdotter, 2003).
Er zijn serieuze aanwijzingen dat kinderen met ADHD (aandachtstoornissen) baat hebben bij een natuurlijke omgeving (Kuo & Taylor, 2004; Taylor et al., 2001) Zie: ook Canu & Gordon (2005)
Een groene omgeving bij een school kan bijdrage leveren aan vermindering van stress. (Gulwadi, 2005)
Literatuur
Bell, S., C., Ward Thompson, C. Findlay, A. Montarzino & N. Morris (2005). Self reported stress reduction by users of woodlands. In: Gallis, C.T.[Ed.]. Forests, trees, and human health and wellbeing. Proceedings 1 st European COST E39 Conference. Siokis, Thessaloniki, pp. 71-80.
Kuo, F.E., & A.F. Taylor (2004). A potential natural treatment for Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder: evidence from a national study. American Journal of Public Health 94 (9): 1580-1586.
Moore , E.O. (1981). A prison environment's effect on care service demands. Journal of Environmental systems 11 (1): 17-34.
Stigsdotter, U. A. & Grahn, P. (2004). A garden at your workplace may reduce stress. In Dilani, A. [ed]. Design & health III - Health promotion through environmental design. International Academy for Design and Health, Stockholm, pp. 147-157.
Tennessen, C.M. & B. Cimprich (1995). Views to nature: effects on attention. Journal of Environmental Psychology 15: 77-85.
Taylor, A.F., F.E. Kuo, W.C. Sullivan (2001). Coping with ADD: the surprising connection to green play setting. Environment and Behavior 33 (1): 54-77.
Ulrich, R.S. (1984). View through a window may influence recovery from surgery. Science 224: 420-421.
Ulrich, R., R.F., Simons, B.D. Losito, E. Fiorito, M.A. Miles & M. Zelson (1991). Stress recovery during exposure to natural and urban environments. Journal of Environmental Psychology 11, 201-230.
Meer literatuur
Terug naar top pagina